“Moet ik hier eigenlijk iets mee?” Dat is ongeveer de meest gestelde vraag na Prinsjesdag.
Niet: wat staat er precies in het Belastingplan? Niet: hoe ontwikkelt de marginale belastingdruk zich? En meestal ook niet: wat vindt Den Haag ervan?
Gewoon: moet ik hier als ondernemer iets mee? Een volkomen terechte vraag.
Want ieder jaar verschijnen er in september stapels plannen, percentages en koopkrachtplaatjes. Vervolgens komen de nieuwsbrieven, webinars en lijstjes met ‘de belangrijkste fiscale wijzigingen’. Interessant, ongetwijfeld…
Maar ondertussen moet er ook gewoon gewerkt worden. Klanten bellen. Personeel moet betaald. Offertes moeten de deur uit. En ergens tussendoor wil je weten of een plan uit Den Haag straks daadwerkelijk iets verandert aan jouw onderneming.
Dus laten we het daar eens over hebben.
Eerst even: plannen zijn nog geen regels
Het Belastingplan 2027 is op 15 september aangeboden aan de Tweede Kamer. De plannen worden daarna behandeld door de Tweede en Eerste Kamer. Pas als zij ermee instemmen, worden de voorgestelde maatregelen definitief. De meeste wijzigingen zouden vervolgens per 1 januari 2027 ingaan.
Dat onderscheid is belangrijk.
Want rond Prinsjesdag ontstaat soms de indruk dat alles wat op dinsdag wordt aangekondigd op woensdag al vaststaat. Dat is niet zo. Een deel van wat nu wordt gepresenteerd, is vooral een voorstel. Noem het gerust een proefballon met een nette fiscale bijlage eromheen.
Interessant om te weten dus. Maar geen reden om nu ineens langetermijnbeslissingen te nemen die alleen logisch zijn als zo’n voorstel daadwerkelijk doorgaat.
Bovendien geldt lang niet iedere maatregel voor iedere ondernemer. Een zzp’er met een eenmanszaak kijkt naar andere zaken dan een ondernemer met twintig medewerkers, een bedrijfspand en een BV-structuur.
De kunst is dus niet om álle wijzigingen te kennen. De kunst is om te weten welke ontwikkelingen voor jou relevant kunnen worden — en pas te handelen als daar voldoende zekerheid over is.
Voor ondernemers in de inkomstenbelasting wordt de speelruimte opnieuw kleiner
Voor ondernemers met een eenmanszaak of vof is één ontwikkeling inmiddels bekend terrein: de zelfstandigenaftrek wordt verder afgebouwd.
In 2026 bedraagt die € 1.200. In 2027 daalt hij naar € 900. Die stap was al eerder vastgelegd.
Maar daar zit ook precies het gevaar.
We zien fiscale veranderingen vaak één voor één voorbijkomen. Een paar honderd euro hier. Een regeling die verandert daar. Een tarief dat iets opschuift.
Bij elkaar kan het wel degelijk invloed hebben op wat je netto overhoudt.
Zeker wanneer tegelijkertijd je verzekeringen, huisvesting, personeel, software en andere bedrijfskosten duurder worden.
Daarom kijken wij liever niet alleen naar één aftrekpost, maar naar het totaalplaatje.
Wat verdien je? Wat geef je uit? Wat blijft er daadwerkelijk over? En past dat nog bij de uren, het risico en de verantwoordelijkheid die je als ondernemer draagt?
Dat is uiteindelijk een interessantere vraag dan of één fiscale aftrekpost € 300 hoger of lager is.
Voor starters verandert er meer
Ook de fiscale ondersteuning voor startende ondernemers staat ter discussie. In het Belastingplan 2027 wordt voorgesteld de startersaftrek sterk af te bouwen en uiteindelijk af te schaffen.
De gedachte achter dit soort maatregelen kun je volgen: de overheid wil fiscale regelingen eenvoudiger maken en verschillen tussen verschillende vormen van werken verkleinen.
Maar de praktijk blijft natuurlijk eigenwijs.
Een starter heeft nog steeds geen gegarandeerde omzet.
Die moet nog steeds klanten vinden, investeren, fouten maken en ontdekken dat een betaaltermijn van veertien dagen bij sommige klanten kennelijk vooral als een vriendelijke suggestie wordt gezien.
Wel betekent het dat je als startende ondernemer niet moet rekenen op voordelen omdat “die er altijd waren”.
Maak je begroting op basis van je echte omzet, echte kosten en een realistische belastingdruk.
Een belastingvoordeel is prettig.
Het is geen verdienmodel.
Investeren? Dan wordt vooruitkijken interessanter
Er zitten ook voorstellen tussen die juist ruimte kunnen geven.
Zo wil het kabinet het percentage van de energie-investeringsaftrek verhogen. Ook wordt voorgesteld de innovatiebox voor het mkb te verruimen.
Maar hier geldt dezelfde waarschuwing als altijd bij fiscale voordelen: laat de belastingregeling niet bepalen of een investering verstandig is.
Een investering van € 50.000 wordt niet ineens een goed idee omdat je er fiscaal voordeel bij krijgt.
De eerste vraag blijft: heb je die investering nodig?
De tweede: levert hij voldoende op?
En pas daarna wordt interessant welke fiscale regeling erbij hoort.
We zien het andersom ook gebeuren. Ondernemers die tegen het einde van het jaar nog snel iets aanschaffen “voor de belasting”.
Dat blijft een bijzondere vorm van besparen.
Honderd euro uitgeven om een deel daarvan niet aan belasting te hoeven betalen, betekent namelijk nog steeds dat je honderd euro hebt uitgegeven.
Wat moet je nu doen?
Ook niet op basis van één Prinsjesdagbericht ineens investeringen naar voren halen of uitstellen.
Dus: volgen, doorrekenen waar relevant, maar niet op basis van een Prinsjesdagvoorstel je koers voor de komende jaren omgooien.
Wat wél verstandig is: gebruik dit moment om vooruit te kijken naar 2027.
Wat verwacht je volgend jaar aan omzet en kosten? Welke investeringen staan op de planning? Verandert er iets in je personeelssituatie? En hoeveel houd je onderaan de streep naar verwachting over?
Niet als jaarlijkse Haagse bingo.
Maar als één van de factoren waarmee je rekening houdt bij het runnen van je bedrijf.
En eerlijk gezegd is dat precies hoe wij ernaar kijken.
De regels kunnen veranderen. Je onderneming verandert waarschijnlijk ook.
De vraag is vooral of je cijfers dat verhaal nog steeds ondersteunen.
| Wil je weten wat de plannen voor 2027 concreet betekenen voor jouw onderneming? Neem gerust contact met ons op. Dan kijken we niet naar alle maatregelen die er bestaan, maar naar de maatregelen waar jij daadwerkelijk iets van merkt. |